naaien
werkwoord /ˈnaːi̯ə(n)/Betekenis
- het met behulp van naald en draad maken of herstellen van textiel (bijv. kleding)
- geslachtsgemeenschap hebben
- iemand een verraderlijke streek leveren
Hoe spreek je naaien uit?
/ˈnaiən/
Naaien bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| a | maan |
| i | riet |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van naaien
naaienhele werkwoord — naaideverleden tijd enkelvoud — naaidenverleden tijd meervoud — genaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | naai | naaide |
| jij | naait | naaide |
| hij, zij, het | naait | naaide |
| wij | naaien | naaiden |
| jullie | naaien | naaiden |
| zij | naaien | naaiden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is genaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genaaid | verleden tijd, deelwoord |
| genaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| naai | gebiedende wijs |
| naaide | verleden tijd |
| naaie | aanvoegende wijs |
| naaiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te naaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen naaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt naaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen naaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult naaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘geslachtsgemeenschap hebben’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1485
Woordfamilie van naaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genaaid | voltooid deelwoord | naaien |
| genaaide | woordvorm | naaien |
| naai | gebiedende wijs | naaien |
| naaide | verleden tijd | naaien |
| naaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | naaien |
| naaie | aanvoegende wijs | naaien |
| naaiend | onvoltooid deelwoord | naaien |
| naaiende | woordvorm | naaien |
| naait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | naaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van naaien zijn vastgelegd.