speld
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- klein en puntig metalen voorwerp met een kop, bedoeld om iets (bijv. weefsels) vast te zetten, veel gebruikt bij naaien
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spelden | meervoud |
| speldje | verkleinwoord, enkelvoud |
| speldjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spelden
- gebiedende wijs van spelden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spelden
Vervoeging van speld
speldhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘middel om iets vast te steken, ook als sieraad’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van speld
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| speldje | verkleinwoord | speld |
| speldjes | verkleinwoord meervoud | speld |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van speld zijn vastgelegd.