Naar de inhoud

meehelpen

anderen helpen iets te doen

meehelpen

werkwoord

Betekenis

  1. anderen helpen iets te doen

Vervoeging van meehelpen

meehelpenhele werkwoord — hielp meeverleden tijd enkelvoud — hielpen meeverleden tijd meervoud — meegeholpenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik help mee hielp mee
jij helpt mee hielp mee
hij, zij, het helpt mee hielp mee
wij helpen mee hielpen mee
jullie helpen mee hielpen mee
zij helpen mee hielpen mee
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had meegeholpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had meegeholpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had meegeholpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden meegeholpen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden meegeholpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden meegeholpen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt meegeholpen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeholpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft meegeholpen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
help mee gebiedende wijs
hielp mee verleden tijd
mee te helpen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
mee te zullen helpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
mee zal helpen bijzin, toekomende tijd
mee zou helpen bijzin, voorwaardelijk
mee zouden helpen bijzin, voorwaardelijk
mee zoudt helpen bijzin, voorwaardelijk
mee zullen helpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
mee zullen helpen bijzin, toekomende tijd
mee zult helpen bijzin, toekomende tijd
meegeholpen verleden tijd, deelwoord
meegeholpen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
meegeholpen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
meehelp bijzin, tegenwoordige tijd
meehelpend onvoltooid, deelwoord
meehelpt bijzin, tegenwoordige tijd
meehielp bijzin, verleden tijd
meehielpen bijzin, verleden tijd
meehielpt bijzin, verleden tijd
te hebben meegeholpen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen meehelpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal meehelpen bijzin, toekomende tijd
zou meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou meehelpen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) meehelpen mee zou(dt) helpen bijzin, voorwaardelijk
zouden meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden meehelpen bijzin, voorwaardelijk
zoudt meegeholpen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt meehelpen bijzin, voorwaardelijk
zullen meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen meehelpen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen meehelpen bijzin, toekomende tijd
zult meegeholpen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult meehelpen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult meehelpen bijzin, toekomende tijd
zult/zal meehelpen mee zult/zal helpen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van mee bw en helpen ww

Woordfamilie van meehelpen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
help mee gebiedende wijs meehelpen
helpe mee woordvorm meehelpen
helpen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon meehelpen
helpt mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon meehelpen
hielp mee verleden tijd meehelpen
hielpen mee aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon meehelpen
meegeholpen voltooid deelwoord meehelpen
meehelp subordinate-clause, tegenwoordige tijd meehelpen
meehelpe with-subordinate-clause meehelpen
meehelpend onvoltooid deelwoord meehelpen
meehelpende woordvorm meehelpen
meehelpt subordinate-clause, tegenwoordige tijd meehelpen
meehielp subordinate-clause, verleden tijd meehelpen
meehielpen subordinate-clause, verleden tijd meehelpen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van meehelpen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over meehelpen

Wat betekent meehelpen?
Meehelpen is een werkwoord. Het woord betekent: anderen helpen iets te doen.
Hoe vervoeg je meehelpen?
Je vervoegt meehelpen als volgt: het voltooid deelwoord is meegeholpen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord meehelpen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. H 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

meehelpen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. E 1
  3. E 1
  4. H 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

meehelpen in het kort

meehelpen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van meehelpen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort meehelpen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

meehelpen: anderen helpen iets te doen
Deel meehelpen — standaardnederlands.nl