Naar de inhoud

machtigen

aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen

machtigen

werkwoord ˈmɑxtəɣə(n)

Betekenis

  1. aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen

Hoe spreek je machtigen uit?

/ˈmɑxtəxən/

Machtigen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈmɑxtəxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
m maan
ɑ bad
x acht
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van machtigen

machtigenhele werkwoord — machtigdeverleden tijd enkelvoud — machtigdenverleden tijd meervoud — gemachtigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik machtig machtigde
jij machtigt machtigde
hij, zij, het machtigt machtigde
wij machtigen machtigden
jullie machtigen machtigden
zij machtigen machtigden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gemachtigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gemachtigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gemachtigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gemachtigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gemachtigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gemachtigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gemachtigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gemachtigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gemachtigd verleden tijd, deelwoord
gemachtigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gemachtigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gemachtigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemachtigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemachtigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gemachtigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gemachtigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gemachtigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gemachtigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gemachtigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gemachtigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gemachtigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gemachtigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gemachtigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemachtigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
machtig gebiedende wijs
machtigde verleden tijd
machtige aanvoegende wijs
machtigend onvoltooid, deelwoord
te hebben gemachtigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te machtigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen machtigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gemachtigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gemachtigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gemachtigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gemachtigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gemachtigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gemachtigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gemachtigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gemachtigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gemachtigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt machtigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen machtigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gemachtigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gemachtigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gemachtigd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult machtigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘volmacht geven’ voor het eerst aangetroffen in 1407

Woordfamilie van machtigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gemachtigd voltooid deelwoord machtigen
machtigde verleden tijd machtigen
machtigden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon machtigen
machtigend onvoltooid deelwoord machtigen
machtigende woordvorm machtigen
machtigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon machtigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van machtigen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over machtigen

Hoe spreek je machtigen uit?
De uitspraak van machtigen is: /ˈmɑxtəɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent machtigen?
Machtigen is een werkwoord. Het woord betekent: aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen.
Hoe vervoeg je machtigen?
Je vervoegt machtigen als volgt: de tegenwoordige tijd is machtig, de verleden tijd is machtigde en het voltooid deelwoord is gemachtigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op machtigen?

Op machtigen rijmen 6 woorden, onder andere bekrachtigen, beenvisachtigen en gordeldierachtigen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op machtigen, uitspraak ˈmɑxtəxən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bekrachtigen 4
beenvisachtigen 5
gordeldierachtigen 6
schubdierachtigen 5
walvisachtigen 5
wolfsklauwachtigen 6

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord machtigen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. M 3
  2. A 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. I 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

machtigen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. M 3
  2. A 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. I 2
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

machtigen in het kort

machtigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van machtigen zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort machtigen bij een woordfamilie van 6 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

machtigen: aan iemand anders het recht overdragen in je naam te handelen
Deel machtigen — standaardnederlands.nl