lui
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord lœyBetekenis
- werkschuw, niet houdend van inspanning of werk
- (gebruik als hypallage) geschikt om op zijn gemak in te zijn
- groep mensen
- luiden
- hem, haar
- hij
Hoe spreek je lui uit?
/lœy/
Lui bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
bijvoeglijk naamwoord
- niet houdend van inspanning of werk
- geschikt om op zijn gemak in te zijn
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
zelfstandig naamwoord — plural
- vaak groep mensen informal, pejorative
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
- gebiedende wijs van luien
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luien
Vervoeging van lui
luihele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [C] lui | canonical |
Woordfamilie van lui
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| luiste | inflected, superlative | lui |
| luitjes | meervoud | lui |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lui zijn vastgelegd.