luieren
werkwoord ˈlœyjərə(n)Betekenis
- niets uitvoeren, niks doen
Hoe spreek je luieren uit?
/ˈlœyjərən/
Luieren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
| j | ja |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van luieren
luierenhele werkwoord — luierdeverleden tijd enkelvoud — luierdenverleden tijd meervoud — geluierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | luier | luierde |
| jij | luiert | luierde |
| hij, zij, het | luiert | luierde |
| wij | luieren | luierden |
| jullie | luieren | luierden |
| zij | luieren | luierden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geluierd | verleden tijd, deelwoord |
| geluierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geluierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geluierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geluierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geluierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geluierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geluierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geluierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geluierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geluierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| luier | gebiedende wijs |
| luierde | verleden tijd |
| luiere | aanvoegende wijs |
| luierend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geluierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te luieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen luieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geluierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt luieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen luieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geluierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult luieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘lui zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1632
Woordfamilie van luieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geluierd | voltooid deelwoord | luieren |
| luierde | verleden tijd | luieren |
| luierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | luieren |
| luierend | onvoltooid deelwoord | luieren |
| luierende | woordvorm | luieren |
| luiert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | luieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luieren zijn vastgelegd.