luier
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- vocht absorberend kledingstuk dat wordt gedragen door een incontinente persoon, inz. door een baby
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| luiers | meervoud |
| luiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| luiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van lui
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieren
- gebiedende wijs van luieren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luieren
Vervoeging van luier
luierhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘doek voor kinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van luier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| luiertje | verkleinwoord | luier |
| luiertjes | verkleinwoord meervoud | luier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luier zijn vastgelegd.