loos
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord losBetekenis
- (van vruchten) leeg
- schijnbaar, niet werkelijk
- vals, voor de schijn
- ondeugend, aardig
- slim, sluw
Hoe spreek je loos uit?
/los/
Loos bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| o | boot |
| s | sok |
bijvoeglijk naamwoord
- leeg
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| loost | onverbogen, overtreffende trap |
| looste | verbogen, overtreffende trap |
| loze | verbogen, stellende trap |
| lozer | onverbogen, vergrotende trap |
| lozere | verbogen, vergrotende trap |
| lozers | partitief, vergrotende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lozen
- gebiedende wijs van lozen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lozen
Vervoeging van loos
looshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘leeg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van loos
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| looste | inflected, superlative | loos |
| lozere | verbogen vergrotende trap | loos |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loos zijn vastgelegd.