abrikoos
zelfstandig naamwoord ˌabriˈkosBetekenis
- een vrucht van de abrikozenboom
Hoe spreek je abrikoos uit?
/ˌabriˈkos/
Abrikoos bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| b | bak |
| r | rood |
| i | riet |
| k | kat |
| o | boot |
| s | sok |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vrucht van de boom Prunus armeniaca
- bepaald soort boom, Prunus armeniaca. Er bestaan soortkruisingen tussen de abrikoos en de Japanse pruim. Deze soortkruisingen kregen namen als plumcot, aprium en pluot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| abrikoosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| abrikoosjes | verkleinwoord, meervoud |
| abrikozen | meervoud |
Herkomst
van Frans abricots (abrikozen) dat geïnterpreteerd is als een enkelvoudige vorm, in de betekenis van ‘vrucht’ aangetroffen vanaf 1625
Woordfamilie van abrikoos
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| abrikoosje | verkleinwoord | abrikoos |
| abrikoosjes | verkleinwoord meervoud | abrikoos |
| abrikozen | meervoud | abrikoos |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van abrikoos zijn vastgelegd.