lispen
werkwoord /ˈlɪspə(n)/Betekenis
- lispelen
- stamelen, stotteren, lispelen
Hoe spreek je lispen uit?
/ˈlɪspən/
Lispen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van lispen
lispenhele werkwoord — lispteverleden tijd enkelvoud — lisptenverleden tijd meervoud — gelisptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lisp | lispte |
| jij | lispt | lispte |
| hij, zij, het | lispt | lispte |
| wij | lispen | lispten |
| jullie | lispen | lispten |
| zij | lispen | lispten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gelispt | verleden tijd, deelwoord |
| gelispt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gelispt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gelispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gelispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gelispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gelispt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gelispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gelispt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gelispt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelispt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gelispt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lisp | gebiedende wijs |
| lispe | aanvoegende wijs |
| lispend | onvoltooid, deelwoord |
| lispte | verleden tijd |
| te hebben gelispt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te lispen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen lispen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gelispt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt lispen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen lispen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gelispt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult lispen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van het Middelnederlands lispen
Woordfamilie van lispen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gelispt | voltooid deelwoord | lispen |
| lisp | gebiedende wijs | lispen |
| lispe | aanvoegende wijs | lispen |
| lispend | onvoltooid deelwoord | lispen |
| lispende | woordvorm | lispen |
| lispt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | lispen |
| lispte | verleden tijd | lispen |
| lispten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | lispen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lispen zijn vastgelegd.