lever
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈlevərBetekenis
- hefboom
- opheffen, oplichten
- se lever: opstaan
- leveren
- tegenwoordige tijd actief van leva
Hoe spreek je lever uit?
/ˈlevər/
Lever bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vitaal orgaan voor opslag van bloed, galproductie en stofwisseling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| levers | meervoud |
| levertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| levertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leveren
- gebiedende wijs van leveren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van leveren
Vervoeging van lever
leverhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘klier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van lever
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| levers | meervoud | lever |
| levertje | verkleinwoord | lever |
| levertjes | verkleinwoord meervoud | lever |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lever zijn vastgelegd.