laster
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈlɑstərBetekenis
- onterechte beweringen die iemand in een kwaad daglicht stellen
Hoe spreek je laster uit?
/ˈlɑstər/
Laster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lastertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lastertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lasteren
- gebiedende wijs van lasteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lasteren
Vervoeging van laster
lasterhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kwaadsprekerij’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van laster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lastertje | verkleinwoord | laster |
| lastertjes | verkleinwoord meervoud | laster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van laster zijn vastgelegd.