aster
zelfstandig naamwoord 'ɑstərBetekenis
- Asteraceae, een tuinplantenfamilie met blauwe, witte, paarse of roze bloemen
- een bloem van de aster
Hoe spreek je aster uit?
/ˈɑstər/
Aster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een geslacht Aster uit de composietenfamilie (Compositae of Asteraceae). Vanwege de prachtige bloei (in bloemhoofdjes) zijn er veel cultivars als tuinplant gekweekt
- blauwe, witte, paarse of roze bloemen van zo'n plant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| asters | meervoud |
| astertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| astertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn aster, in de betekenis van ‘plantengeslacht’ voor het eerst aangetroffen in 1633
Woordfamilie van aster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| asters | meervoud | aster |
| astertje | verkleinwoord | aster |
| astertjes | verkleinwoord meervoud | aster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aster zijn vastgelegd.