kwijten
werkwoord /kʋɛɪtə(n)/Betekenis
- zich ~: een belofte inlossen of aan een verplichting voldoen
Hoe spreek je kwijten uit?
/kwɛitən/
Kwijten bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van kwijten
kwijtenhele werkwoord — kweetverleden tijd enkelvoud — kwetenverleden tijd meervoud — gekwetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kwijt | kweet |
| jij | kwijt | kweet |
| hij, zij, het | kwijt | kweet |
| wij | kwijten | kweten |
| jullie | kwijten | kweten |
| zij | kwijten | kweten |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekweten | verleden tijd, deelwoord |
| gekweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kweet | verleden tijd |
| kweet je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kweet me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kweet u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kweet u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kweet zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kweet zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| kweet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kweten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| kweten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| kweten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| kwijt | gebiedende wijs |
| kwijt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kwijt me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kwijt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kwijt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kwijt u/je , kwijt je | gebiedende wijs |
| kwijt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| kwijt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| kwijt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kwijte | aanvoegende wijs |
| kwijte zich | aanvoegende wijs |
| kwijten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kwijten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kwijten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| kwijtend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gekweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kwijten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kwijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me kwijten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich kwijten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je kwijten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gekweten hebben | verleden tijd |
| zich kwijtend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen je kwijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen kwijten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ons kwijten | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich kwijten | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult gekweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kwijten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u kwijten | tweede persoon |
| zult u kwijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u kwijten | tweede persoon |
| zult zich/u kwijten | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(zich...) doen, vervullen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1237
Woordfamilie van kwijten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekweten | voltooid deelwoord | kwijten |
| kweet | verleden tijd | kwijten |
| kweten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kwijten |
| kwijte | aanvoegende wijs | kwijten |
| kwijtend | onvoltooid deelwoord | kwijten |
| kwijtende | woordvorm | kwijten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwijten zijn vastgelegd.