Naar de inhoud

kwijtspelen

door ongelukkig of onverstandig handelen verliezen

kwijtspelen

werkwoord

Betekenis

  1. door ongelukkig of onverstandig handelen verliezen
  2. (Vlaanderen) kwijtraken

werkwoord

  1. kwijtraken Flanders, ergative

Vervoeging van kwijtspelen

kwijtspelenhele werkwoord — speelde kwijtverleden tijd enkelvoud — speelden kwijtverleden tijd meervoud — kwijtgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel kwijt speelde kwijt
jij speelt kwijt speelde kwijt
hij, zij, het speelt kwijt speelde kwijt
wij spelen kwijt speelden kwijt
jullie spelen kwijt speelden kwijt
zij spelen kwijt speelden kwijt
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kwijt te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
kwijt te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
kwijt zal spelen bijzin, toekomende tijd
kwijt zou spelen bijzin, voorwaardelijk
kwijt zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
kwijt zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
kwijt zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
kwijt zullen spelen bijzin, toekomende tijd
kwijt zult spelen bijzin, toekomende tijd
kwijtgespeeld verleden tijd, deelwoord
kwijtgespeeld te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kwijtgespeeld zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kwijtspeel bijzin, tegenwoordige tijd
kwijtspeelde bijzin, verleden tijd
kwijtspeelden bijzin, verleden tijd
kwijtspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
kwijtspelend onvoltooid, deelwoord
speel kwijt gebiedende wijs
speelde kwijt verleden tijd
te zijn kwijtgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kwijtspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was kwijtgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal kwijtspelen bijzin, toekomende tijd
zijn kwijtgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt kwijtgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou kwijtspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) kwijtspelen kwijt zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden kwijtspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt kwijtgespeeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt kwijtspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kwijtspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen kwijtspelen bijzin, toekomende tijd
zult kwijtgespeeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kwijtspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult kwijtspelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal kwijtspelen kwijt zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van kwijt en spelen

Woordfamilie van kwijtspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kwijtgespeeld voltooid deelwoord kwijtspelen
kwijtgespeelde woordvorm kwijtspelen
kwijtspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd kwijtspelen
kwijtspeelde subordinate-clause, verleden tijd kwijtspelen
kwijtspeelden subordinate-clause, verleden tijd kwijtspelen
kwijtspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd kwijtspelen
kwijtspele with-subordinate-clause kwijtspelen
kwijtspelend onvoltooid deelwoord kwijtspelen
kwijtspelende woordvorm kwijtspelen
speel kwijt gebiedende wijs kwijtspelen
speelde kwijt verleden tijd kwijtspelen
speelden kwijt aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kwijtspelen
speelt kwijt aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kwijtspelen
spele kwijt woordvorm kwijtspelen
spelen kwijt aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon kwijtspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwijtspelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over kwijtspelen

Wat is de betekenis van kwijtspelen?
Kwijtspelen is een werkwoord. De betekenis is: door ongelukkig of onverstandig handelen verliezen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik kwijtspelen?
Zo vervoeg je kwijtspelen zo: het voltooid deelwoord is kwijtgespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kwijtspelen is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. W 5
  3. I 1
  4. J 4
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kwijtspelen levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. W 5
  3. I 2
  4. J 4
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 28 zonder bonus
  13. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kwijtspelen in het kort

kwijtspelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van kwijtspelen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort kwijtspelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

kwijtspelen: door ongelukkig of onverstandig handelen verliezen
Deel kwijtspelen — standaardnederlands.nl