kwijtspelen
werkwoordBetekenis
- door ongelukkig of onverstandig handelen verliezen
- (Vlaanderen) kwijtraken
werkwoord
- kwijtraken Flanders, ergative
Vervoeging van kwijtspelen
kwijtspelenhele werkwoord — speelde kwijtverleden tijd enkelvoud — speelden kwijtverleden tijd meervoud — kwijtgespeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | speel kwijt | speelde kwijt |
| jij | speelt kwijt | speelde kwijt |
| hij, zij, het | speelt kwijt | speelde kwijt |
| wij | spelen kwijt | speelden kwijt |
| jullie | spelen kwijt | speelden kwijt |
| zij | spelen kwijt | speelden kwijt |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kwijt te spelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijt te zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijt zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
| kwijt zou spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zouden spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zoudt spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zullen spelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijt zullen spelen | bijzin, toekomende tijd |
| kwijt zult spelen | bijzin, toekomende tijd |
| kwijtgespeeld | verleden tijd, deelwoord |
| kwijtgespeeld te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgespeeld zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtspeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwijtspeelde | bijzin, verleden tijd |
| kwijtspeelden | bijzin, verleden tijd |
| kwijtspeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwijtspelend | onvoltooid, deelwoord |
| speel kwijt | gebiedende wijs |
| speelde kwijt | verleden tijd |
| te zijn kwijtgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kwijtspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was kwijtgespeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kwijtspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn kwijtgespeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt kwijtgespeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou kwijtspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) kwijtspelen kwijt zou(dt) spelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden kwijtspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt kwijtgespeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt kwijtspelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kwijtspelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen kwijtspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult kwijtgespeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kwijtspelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult kwijtspelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal kwijtspelen kwijt zult/zal spelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van kwijt en spelen
Woordfamilie van kwijtspelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kwijtgespeeld | voltooid deelwoord | kwijtspelen |
| kwijtgespeelde | woordvorm | kwijtspelen |
| kwijtspeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwijtspelen |
| kwijtspeelde | subordinate-clause, verleden tijd | kwijtspelen |
| kwijtspeelden | subordinate-clause, verleden tijd | kwijtspelen |
| kwijtspeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwijtspelen |
| kwijtspele | with-subordinate-clause | kwijtspelen |
| kwijtspelend | onvoltooid deelwoord | kwijtspelen |
| kwijtspelende | woordvorm | kwijtspelen |
| speel kwijt | gebiedende wijs | kwijtspelen |
| speelde kwijt | verleden tijd | kwijtspelen |
| speelden kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kwijtspelen |
| speelt kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kwijtspelen |
| spele kwijt | woordvorm | kwijtspelen |
| spelen kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kwijtspelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwijtspelen zijn vastgelegd.