kwijtschelden
werkwoordBetekenis
- een schuld schrappen, ontheffen van een plicht (bijv. straf, schuld)
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van kwijtschelden
kwijtscheldenhele werkwoord — schold kwijtverleden tijd enkelvoud — scholden kwijtverleden tijd meervoud — kwijtgescholdenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | scheld kwijt | schold kwijt |
| jij | scheldt kwijt | schold kwijt |
| hij, zij, het | scheldt kwijt | schold kwijt |
| wij | schelden kwijt | scholden kwijt |
| jullie | schelden kwijt | scholden kwijt |
| zij | schelden kwijt | scholden kwijt |
Alle 207 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is kwijtgescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was kwijtgescholden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd kwijtgescholden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt kwijtgescholden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal kwijtgescholden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal kwijtgescholden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou kwijtgescholden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou kwijtgescholden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt kwijtgescholden gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kwijtgescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft kwijtgescholden gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| kwijt te schelden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijt te zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijt zal schelden | bijzin, toekomende tijd |
| kwijt zou schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zouden schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zoudt schelden | bijzin, voorwaardelijk |
| kwijt zullen schelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijt zullen schelden | bijzin, toekomende tijd |
| kwijt zult schelden | bijzin, toekomende tijd |
| kwijtgescholden | verleden tijd, deelwoord |
| kwijtgescholden gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| kwijtgescholden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtgescholden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| kwijtscheld | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwijtscheldend | onvoltooid, deelwoord |
| kwijtscheldt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| kwijtschold | bijzin, verleden tijd |
| kwijtscholden | bijzin, verleden tijd |
| kwijtscholdt | bijzin, verleden tijd |
| scheld kwijt | gebiedende wijs |
| schold kwijt | verleden tijd |
| te hebben kwijtgescholden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kwijtschelden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was kwijtgescholden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt kwijtgescholden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal kwijtgescholden gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgescholden gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwijtgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal kwijtgescholden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwijtgescholden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgescholden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal kwijtgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgescholden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal kwijtgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal kwijtgescholden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kwijtschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kwijtschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kwijtschelden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal kwijtschelden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt kwijtgescholden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou kwijtgescholden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kwijtgescholden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kwijtgescholden gekregen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwijtgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou kwijtgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou kwijtgescholden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kwijtgescholden krijgen | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van kwijt en schelden
Woordfamilie van kwijtschelden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kwijtgescholden | voltooid deelwoord | kwijtschelden |
| kwijtscheld | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwijtschelden |
| kwijtschelde | with-subordinate-clause | kwijtschelden |
| kwijtscheldend | onvoltooid deelwoord | kwijtschelden |
| kwijtscheldende | woordvorm | kwijtschelden |
| kwijtscheldt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | kwijtschelden |
| kwijtschold | subordinate-clause, verleden tijd | kwijtschelden |
| kwijtscholden | subordinate-clause, verleden tijd | kwijtschelden |
| scheld kwijt | gebiedende wijs | kwijtschelden |
| schelde kwijt | woordvorm | kwijtschelden |
| schelden kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | kwijtschelden |
| scheldt kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kwijtschelden |
| schold kwijt | verleden tijd | kwijtschelden |
| scholden kwijt | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kwijtschelden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kwijtschelden zijn vastgelegd.