vulva
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de schaamspleet, de ingang tot de vagina
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vulva's | meervoud |
| vulvaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vulvaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘schaamspleet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1726
Woordfamilie van vulva
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vulva's | meervoud | vulva |
| vulvaatje | verkleinwoord | vulva |
| vulvaatjes | verkleinwoord meervoud | vulva |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vulva zijn vastgelegd.