kutzwager
zelfstandig naamwoordBetekenis
- elk van de mannen die met dezelfde vrouw gemeenschap hebben gehad
zelfstandig naamwoord — masculine
- elk van de mannen die met dezelfde vrouw geslachtsgemeenschap hebben gehad ironic, vulgar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kutzwagers | meervoud |
| kutzwagertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kutzwagertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘man die met dezelfde vrouw geslapen heeft’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1975
Woordfamilie van kutzwager
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kutzwagers | meervoud | kutzwager |
| kutzwagertje | verkleinwoord | kutzwager |
| kutzwagertjes | verkleinwoord meervoud | kutzwager |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kutzwager zijn vastgelegd.