krimpen
werkwoord ˈkrɪmpə(n)Betekenis
- kleiner in omvang worden
- (van wind) geleidelijk van richting veranderen, tegen de wijzers van de klok in
Hoe spreek je krimpen uit?
/ˈkrɪmpən/
Krimpen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- kleiner worden na een wasbeurt ergative
- geleidelijk van richting veranderen, tegen de wijzers van de klok in ergative
Vervoeging van krimpen
krimpenhele werkwoord — krompverleden tijd enkelvoud — krompenverleden tijd meervoud — gekrompenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | krimp | kromp |
| jij | krimpt | kromp |
| hij, zij, het | krimpt | kromp |
| wij | krimpen | krompen |
| jullie | krimpen | krompen |
| zij | krimpen | krompen |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekrompen | verleden tijd, deelwoord |
| gekrompen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekrompen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krimp | gebiedende wijs |
| krimpe | aanvoegende wijs |
| krimpend | onvoltooid, deelwoord |
| kromp | verleden tijd |
| te krimpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn gekrompen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen krimpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gekrompen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekrompen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gekrompen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gekrompen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gekrompen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gekrompen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gekrompen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekrompen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gekrompen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekrompen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen krimpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekrompen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult krimpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands crempen, in de betekenis van ‘zich samentrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van krimpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekrompen | voltooid deelwoord | krimpen |
| krimpe | aanvoegende wijs | krimpen |
| krimpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | krimpen |
| kromp | verleden tijd | krimpen |
| krompen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | krimpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krimpen zijn vastgelegd.