krimp
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord krɪmpBetekenis
- vermindering van omvang
- blijk dat men onder de indruk is (meestal ontkennend gebruikt om aan te geven dat iemand iets lijkt te negeren)
- taps toelopende ruimte tussen twee wanden
- (Gronings) inspringend muurwerk
- (Gronings) hoek waar twee schuine daken bij elkaar komen
- (van vis) kort na de vangst levend gesneden voor conservering
- krimpen
Hoe spreek je krimp uit?
/krɪmp/
Krimp bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- blijk dat men onder de indruk is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krimpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krimpjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- kort na de vangst levend gesneden voor conservering
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krimpen
- gebiedende wijs van krimpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krimpen
Vervoeging van krimp
krimphele werkwoord
Herkomst
zn: van Middelnederlands crimpe "kramp", naamwoord van handeling bij krimpen ** [2]: het ineenkrimpen of terugdeinzen voor iets dat indrukwekkend is ** [3]: het smaller worden van de ruimte tussen twee wanden
Woordfamilie van krimp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krimpje | verkleinwoord | krimp |
| krimpjes | verkleinwoord meervoud | krimp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krimp zijn vastgelegd.