simpen
werkwoord ˈsɪmpə(n)Betekenis
- met tranen laten merken dat je erg verdrietig en ontdaan bent
Hoe spreek je simpen uit?
/ˈsɪmpən/
Simpen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van simpen
simpenhele werkwoord — simpteverleden tijd enkelvoud — simptenverleden tijd meervoud — gesimptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | simp | simpte |
| jij | simpt | simpte |
| hij, zij, het | simpt | simpte |
| wij | simpen | simpten |
| jullie | simpen | simpten |
| zij | simpen | simpten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesimpt | verleden tijd, deelwoord |
| gesimpt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesimpt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesimpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesimpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesimpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesimpt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesimpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesimpt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesimpt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesimpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesimpt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| simp | gebiedende wijs |
| simpe | aanvoegende wijs |
| simpend | onvoltooid, deelwoord |
| simpte | verleden tijd |
| te hebben gesimpt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te simpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen simpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesimpt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt simpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen simpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesimpt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult simpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
klanknabootsing
Woordfamilie van simpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesimpt | voltooid deelwoord | simpen |
| simp | gebiedende wijs | simpen |
| simpe | aanvoegende wijs | simpen |
| simpend | onvoltooid deelwoord | simpen |
| simpende | woordvorm | simpen |
| simpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | simpen |
| simpte | verleden tijd | simpen |
| simpten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | simpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van simpen zijn vastgelegd.