kolken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈkɔlkə(n)Betekenis
- met een draaiiende beweging stijgen of dalen
- overdrachtelijk emotioneel heftig in beweging zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je kolken uit?
/ˈkɔlkən/
Kolken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kolken
kolkenhele werkwoord — kolkteverleden tijd enkelvoud — kolktenverleden tijd meervoud — gekolktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kolk | kolkte |
| jij | kolkt | kolkte |
| hij, zij, het | kolkt | kolkte |
| wij | kolken | kolkten |
| jullie | kolken | kolkten |
| zij | kolken | kolkten |
Alle 28 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gekolkt | verleden tijd, deelwoord |
| gekolkt te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekolkt zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gekolkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| kolk | gebiedende wijs |
| kolke | aanvoegende wijs |
| kolkend | onvoltooid, deelwoord |
| kolkte | verleden tijd |
| te hebben/zijn gekolkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kolken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kolken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gekolkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zou kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt kolken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen kolken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult kolken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kolk
Woordfamilie van kolken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekolkt | voltooid deelwoord | kolken |
| gekolkte | woordvorm | kolken |
| kolke | aanvoegende wijs | kolken |
| kolkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kolken |
| kolkte | verleden tijd | kolken |
| kolkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kolken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kolken zijn vastgelegd.