kokkel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- eetbare hartschelp ronder en groter dan een strandgaper, met diep geribbelde schelpen. Serveer ze rauw of gestoomd.
zelfstandig naamwoord — masculine
- Cardium edule Cerastoderma edule eetbare hartschelp ronder en groter dan een strandgaper, met diep geribbelde schelpen. Serveer ze rauw of gestoomd.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kokkels | meervoud |
| kokkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kokkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokkelen
- gebiedende wijs van kokkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kokkelen
Vervoeging van kokkel
kokkelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘mossel’ voor het eerst aangetroffen in 1900
Woordfamilie van kokkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kokkeltje | verkleinwoord | kokkel |
| kokkeltjes | verkleinwoord meervoud | kokkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kokkel zijn vastgelegd.