kogel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈkoɣəlBetekenis
- lood|loden projectiel vullen|gevuld met buskruit dat gebruiken|gebruikt wordt als munitie van een wapen
- rond of cilindervormig projectiel met spitse punt dat uit een vuurwapen wordt geschoten
- zwaar|zware metaal|metalen bal die gebruiken|gebruikt wordt bij het kogelstoten
- stalen bol, vooral gebruikt in kogellagers e.d
- in meest algemene zin een bol
- het uitwendige gewricht tussen pijp- of schuurbeen en kootbeen van een paard of rund
- dijspier van een slachtdier
Hoe spreek je kogel uit?
/ˈkoxəl/
Kogel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| o | boot |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- loden projectiel gevuld met buskruit dat gebruikt wordt als munitie van een wapen
- zware metalen bal die gebruikt wordt bij het kogelstoten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kogels | meervoud |
| kogeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kogeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kogelen
- gebiedende wijs van kogelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kogelen
Vervoeging van kogel
kogelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘projectiel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van kogel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kogels | meervoud | kogel |
| kogeltje | verkleinwoord | kogel |
| kogeltjes | verkleinwoord meervoud | kogel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kogel zijn vastgelegd.