aankoeken
werkwoord ˈaŋkukə(n)Betekenis
- met een koek bedekt worden
Hoe spreek je aankoeken uit?
/ˈaŋkukən/
Aankoeken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| u | boek |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aankoeken
aankoekenhele werkwoord — koekte aanverleden tijd enkelvoud — koekten aanverleden tijd meervoud — aangekoektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koek aan | koekte aan |
| jij | koekt aan | koekte aan |
| hij, zij, het | koekt aan | koekte aan |
| wij | koeken aan | koekten aan |
| jullie | koeken aan | koekten aan |
| zij | koeken aan | koekten aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te koeken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen koeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal koeken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou koeken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden koeken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt koeken | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen koeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen koeken | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult koeken | bijzin, toekomende tijd |
| aangekoekt | verleden tijd, deelwoord |
| aangekoekt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekoekt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aankoek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankoekend | onvoltooid, deelwoord |
| aankoekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankoekte | bijzin, verleden tijd |
| aankoekten | bijzin, verleden tijd |
| ben aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koek aan | gebiedende wijs |
| koekte aan | verleden tijd |
| te zijn aangekoekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aankoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangekoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekoekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangekoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekoekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangekoekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangekoekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangekoekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aankoeken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangekoekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangekoekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aankoeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aankoeken aan zou(dt) koeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aankoeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangekoekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aankoeken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aankoeken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aankoeken | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangekoekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aankoeken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aankoeken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aankoeken aan zult/zal koeken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en koeken ww
Woordfamilie van aankoeken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aankoek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankoeken |
| aankoeke | with-subordinate-clause | aankoeken |
| aankoekend | onvoltooid deelwoord | aankoeken |
| aankoekende | woordvorm | aankoeken |
| aankoekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankoeken |
| aankoekte | subordinate-clause, verleden tijd | aankoeken |
| aankoekten | subordinate-clause, verleden tijd | aankoeken |
| koek aan | gebiedende wijs | aankoeken |
| koeke aan | woordvorm | aankoeken |
| koeken aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aankoeken |
| koekt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aankoeken |
| koekte aan | verleden tijd | aankoeken |
| koekten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aankoeken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankoeken zijn vastgelegd.