knielen
werkwoord ˈknilə(n)Betekenis
- op de knieën gaan
Hoe spreek je knielen uit?
/ˈknilən/
Knielen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| i | riet |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van knielen
knielenhele werkwoord — knieldeverleden tijd enkelvoud — knieldenverleden tijd meervoud — geknieldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kniel | knielde |
| jij | knielt | knielde |
| hij, zij, het | knielt | knielde |
| wij | knielen | knielden |
| jullie | knielen | knielden |
| zij | knielen | knielden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geknield | verleden tijd, deelwoord |
| geknield te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknield zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknield | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknield | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknield | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknield | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknield | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknield | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknield | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kniel | gebiedende wijs |
| knielde | verleden tijd |
| kniele | aanvoegende wijs |
| knielend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknield | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knielen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knielen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknield hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knielen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knielen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknield hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knielen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘de knieën tot op de grond buigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van knielen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kniel | gebiedende wijs | knielen |
| knielde | verleden tijd | knielen |
| knielden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knielen |
| kniele | aanvoegende wijs | knielen |
| knielend | onvoltooid deelwoord | knielen |
| knielende | woordvorm | knielen |
| knielt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knielen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knielen zijn vastgelegd.