jeuken
werkwoord ˈjøkə(n)Betekenis
- een onaangenaam kriebelend gevoel op de huid veroorzaken
- krabben om een kriebelend gevoel te verdrijven (minder gangbare betekenis)
Hoe spreek je jeuken uit?
/ˈjøkən/
Jeuken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| j | ja |
| ø | deur |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- krabben om een kriebelend gevoel te verdrijven unergative
Vervoeging van jeuken
jeukenhele werkwoord — jeukteverleden tijd enkelvoud — jeuktenverleden tijd meervoud — gejeuktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jeuk | jeukte |
| jij | jeukt | jeukte |
| hij, zij, het | jeukt | jeukte |
| wij | jeuken | jeukten |
| jullie | jeuken | jeukten |
| zij | jeuken | jeukten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gejeukt | verleden tijd, deelwoord |
| gejeukt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejeukt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejeukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejeukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejeukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejeukt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejeukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejeukt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejeukt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejeukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejeukt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jeuk | gebiedende wijs |
| jeuke | aanvoegende wijs |
| jeukend | onvoltooid, deelwoord |
| jeukte | verleden tijd |
| te hebben gejeukt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jeuken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jeuken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejeukt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jeuken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejeukt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jeuken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
van Middelnederlands joken, in de betekenis van ‘kriebelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van jeuken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejeukt | voltooid deelwoord | jeuken |
| jeuke | aanvoegende wijs | jeuken |
| jeukend | onvoltooid deelwoord | jeuken |
| jeukende | woordvorm | jeuken |
| jeukt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jeuken |
| jeukte | verleden tijd | jeuken |
| jeukten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jeuken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jeuken zijn vastgelegd.