jassen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- door(heen) ~: iets snel en slordig afwerken
- door(heen) ~: snel en verspillend opgebruiken
- (aardappels) schillen
werkwoord
- [er]door(heen) ~: iets snel en tegelijk meestal slordig afwerken informal, transitive
- [er]door(heen) ~: snel en verspillend opgebruiken informal, transitive
- eruit ~ iets of iemand ergens wegwerken, de deur uit werken informal, transitive
- schillen informal, transitive
Vervoeging van jassen
jassenhele werkwoord — jasteverleden tijd enkelvoud — jastenverleden tijd meervoud — gejastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jas | jaste |
| jij | jast | jaste |
| hij, zij, het | jast | jaste |
| wij | jassen | jasten |
| jullie | jassen | jasten |
| zij | jassen | jasten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gejast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gejast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gejast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gejast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gejast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gejast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gejast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gejast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gejast | verleden tijd, deelwoord |
| gejast te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejast te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gejast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejast te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejast te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gejast worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejast zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gejast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejast zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gejast zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gejast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gejast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gejast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gejast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jas | gebiedende wijs |
| jasse | aanvoegende wijs |
| jassend | onvoltooid, deelwoord |
| jaste | verleden tijd |
| te hebben gejast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te jassen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen jassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gejast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gejast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gejast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gejast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gejast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gejast | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gejast | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gejast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gejast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gejast zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt jassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen jassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gejast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gejast worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gejast zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult jassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord jas
Herkomst
In de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in 1738
Woordfamilie van jassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gejast | voltooid deelwoord | jassen |
| gejaste | woordvorm | jassen |
| jasse | aanvoegende wijs | jassen |
| jassend | onvoltooid deelwoord | jassen |
| jassende | woordvorm | jassen |
| jast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | jassen |
| jaste | verleden tijd | jassen |
| jasten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | jassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jassen zijn vastgelegd.