inkomstenbelasting
zelfstandig naamwoord ˈɪŋkɔmstə(n)bəˌlɑstɪŋBetekenis
- belasting geheven over het inkomen
Hoe spreek je inkomstenbelasting uit?
/ˈɪŋkɔmstənbəˌlɑstɪŋ/
Inkomstenbelasting bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| b | bak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord
- heffing van de overheid, waarbij inwoners een deel van hun inkomen aan de staat moeten afdragen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ib | |
| inkomstenbelastingen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van inkomst en belasting met het invoegsel -en-
Woordfamilie van inkomstenbelasting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| inkomstenbelastingen | meervoud | inkomstenbelasting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van inkomstenbelasting zijn vastgelegd.