Naar de inhoud

hoepelen

het spelen met een hoepel door deze rond de middel rond te draaien

hoepelen

werkwoord

Betekenis

  1. het spelen met een hoepel door deze rond de middel rond te draaien
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van hoepelen

hoepelenhele werkwoord — hoepeldeverleden tijd enkelvoud — hoepeldenverleden tijd meervoud — gehoepeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hoepel hoepelde
jij hoepelt hoepelde
hij, zij, het hoepelt hoepelde
wij hoepelen hoepelden
jullie hoepelen hoepelden
zij hoepelen hoepelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gehoepeld verleden tijd, deelwoord
gehoepeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehoepeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehoepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehoepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehoepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehoepeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehoepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehoepeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehoepeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehoepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehoepeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hoepel gebiedende wijs
hoepelde verleden tijd
hoepele aanvoegende wijs
hoepelend onvoltooid, deelwoord
te hebben gehoepeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hoepelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hoepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehoepeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen hoepelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gehoepeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult hoepelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘met een hoepel spelen’ voor het eerst aangetroffen in 1682

Woordfamilie van hoepelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gehoepeld voltooid deelwoord hoepelen
hoepelde verleden tijd hoepelen
hoepelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hoepelen
hoepele aanvoegende wijs hoepelen
hoepelend onvoltooid deelwoord hoepelen
hoepelende woordvorm hoepelen
hoepelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon hoepelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoepelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over hoepelen

Wat betekent hoepelen?
Hoepelen is een werkwoord. Het woord betekent: het spelen met een hoepel door deze rond de middel rond te draaien. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hoepelen?
Je vervoegt hoepelen als volgt: de tegenwoordige tijd is hoepel, de verleden tijd is hoepelde en het voltooid deelwoord is gehoepeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hoepelen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. O 1
  3. E 1
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hoepelen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. O 1
  3. E 1
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

hoepelen in het kort

hoepelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hoepelen zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hoepelen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hoepelen: het spelen met een hoepel door deze rond de middel rond te draaien
Deel hoepelen — standaardnederlands.nl