hoepel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een ringvormige metalen band, met name om de duigen van een vat bijeen te houden
- iedere ringvormige band in de vorm van 1
- een ringvormig voorwerp gebruikt door kinderen om rond hun middel rond te draaien
zelfstandig naamwoord — masculine
- iedere ringvormige band in de vorm van [1]
- een ringvormige rand vastgemaakt aan het wiel van een rolstoel waarmee de gebruiker de rolstoel kan voortbewegen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoepels | meervoud |
| hoepeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoepeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoepelen
- gebiedende wijs van hoepelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoepelen
Vervoeging van hoepel
hoepelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘band om vaatwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1728
Woordfamilie van hoepel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoepels | meervoud | hoepel |
| hoepeltje | verkleinwoord | hoepel |
| hoepeltjes | verkleinwoord meervoud | hoepel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoepel zijn vastgelegd.