minder
onbepaald hoofdtelwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈmɪndərBetekenis
- vergrotende trap onverbogen vorm van weinig
Hoe spreek je minder uit?
/ˈmɪndər/
Minder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Woordvorm
- onverbogen vorm van de vergrotende trap van weinig
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
- gebiedende wijs van minderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van minderen
Vervoeging van minder
minderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kleiner’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287