hergeven
werkwoordBetekenis
- iets wat afgenomen was opnieuw geven
Vervoeging van hergeven
hergevenhele werkwoord — hergafverleden tijd enkelvoud — hergavenverleden tijd meervoud — hergevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hergeef | hergaf |
| jij | hergeeft | hergaaft |
| hij, zij, het | hergeeft | hergaf |
| wij | hergeven | hergaven |
| jullie | hergeven | hergaven |
| zij | hergeven | hergaven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hergaf | verleden tijd |
| hergeef | gebiedende wijs |
| hergeve | aanvoegende wijs |
| hergeven | verleden tijd, deelwoord |
| hergeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hergeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hergevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben hergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van hergeven
Vervoeging van hergeven
hergevenhele werkwoord — hergafverleden tijd enkelvoud — hergavenverleden tijd meervoud — hergevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hergeef | hergaf |
| jij | hergeeft | hergaaft |
| hij, zij, het | hergeeft | hergaf |
| wij | hergeven | hergaven |
| jullie | hergeven | hergaven |
| zij | hergeven | hergaven |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had hergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden hergeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt hergeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft hergeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hergaf | verleden tijd |
| hergeef | gebiedende wijs |
| hergeve | aanvoegende wijs |
| hergeven | verleden tijd, deelwoord |
| hergeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| hergeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hergevend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben hergeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt hergeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen hergeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult hergeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult hergeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van geven met het voorvoegsel her-
Woordfamilie van hergeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hergaf | verleden tijd | hergeven |
| hergaven | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hergeven |
| hergeef | gebiedende wijs | hergeven |
| hergeeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hergeven |
| hergeve | aanvoegende wijs | hergeven |
| hergevend | onvoltooid deelwoord | hergeven |
| hergevende | woordvorm | hergeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hergeven zijn vastgelegd.