Naar de inhoud

hechten

een wond dichtnaaien

hechten is meer dan één woord

hechten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een wond dichtnaaien
  2. ~ aan belang toewijzen aan iets
  3. zich ~ aan
  4. hijgen; zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning

Vervoeging van hechten

hechtenhele werkwoord — hechtteverleden tijd enkelvoud — hechttenverleden tijd meervoud — gehechtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hecht hechtte
jij hecht hechtte
hij, zij, het hecht hechtte
wij hechten hechtten
jullie hechten hechtten
zij hechten hechtten
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gehecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gehecht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gehecht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gehecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gehecht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gehecht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gehecht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gehecht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gehecht verleden tijd, deelwoord
gehecht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehecht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gehecht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehecht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehecht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gehecht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehecht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gehecht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehecht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gehecht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hecht gebiedende wijs
hecht je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
hecht me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
hecht u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
hecht u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
hecht u/je , hecht je gebiedende wijs
hecht zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
hecht zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
hecht zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
hechte aanvoegende wijs
hechte zich aanvoegende wijs
hechten je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
hechten ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
hechten zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
hechtend onvoltooid, deelwoord
hechtte verleden tijd
hechtte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
hechtte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
hechtte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
hechtte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
hechtte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
hechtte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
hechtte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
hechtten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
hechtten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
hechtten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
heeft gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hechten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen hechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gehecht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gehecht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal hechten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal hechten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal hechten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal me hechten eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich hechten derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je hechten tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gehecht hebben verleden tijd
zich hechtend onvoltooid, deelwoord
zijn gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt hechten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord hecht

Herkomst

In de betekenis van ‘bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Woordfamilie van hechten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hechtend onvoltooid deelwoord hechten
hechtende woordvorm hechten
hechtte verleden tijd hechten
hechtten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon hechten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hechten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over hechten

Wat betekent hechten?
Hechten is een werkwoord. Het woord betekent: een wond dichtnaaien. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je hechten?
Je vervoegt hechten als volgt: de tegenwoordige tijd is hecht, de verleden tijd is hechtte en het voltooid deelwoord is gehecht. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord hechten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. H 4
  2. E 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

hechten levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 124 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. H 4
  2. E 1
  3. C 5
  4. H 4
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 18 zonder bonus
  9. 124 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

hechten telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

hechten in het kort

hechten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van hechten zijn 102 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort hechten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

hechten: een wond dichtnaaien
Deel hechten — standaardnederlands.nl