hechten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een wond dichtnaaien
- ~ aan belang toewijzen aan iets
- zich ~ aan
- hijgen; zwaar ademhalen ten gevolge van een lichamelijke inspanning
Vervoeging van hechten
hechtenhele werkwoord — hechtteverleden tijd enkelvoud — hechttenverleden tijd meervoud — gehechtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hecht | hechtte |
| jij | hecht | hechtte |
| hij, zij, het | hecht | hechtte |
| wij | hechten | hechtten |
| jullie | hechten | hechtten |
| zij | hechten | hechtten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gehecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gehecht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gehecht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gehecht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gehecht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gehecht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gehecht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gehecht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gehecht | verleden tijd, deelwoord |
| gehecht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehecht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gehecht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehecht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehecht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehecht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehecht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gehecht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehecht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gehecht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hecht | gebiedende wijs |
| hecht je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| hecht me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| hecht u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| hecht u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| hecht u/je , hecht je | gebiedende wijs |
| hecht zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| hecht zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| hecht zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| hechte | aanvoegende wijs |
| hechte zich | aanvoegende wijs |
| hechten je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| hechten ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| hechten zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| hechtend | onvoltooid, deelwoord |
| hechtte | verleden tijd |
| hechtte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| hechtte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| hechtte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| hechtte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| hechtte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| hechtte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| hechtte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| hechtten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| hechtten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| hechtten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| heeft gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gehecht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hechten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hechten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gehecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gehecht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gehecht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gehecht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gehecht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gehecht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gehecht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehecht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hechten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal me hechten | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich hechten | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je hechten | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gehecht hebben | verleden tijd |
| zich hechtend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gehecht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehecht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gehecht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hechten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehecht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gehecht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hecht
Herkomst
In de betekenis van ‘bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van hechten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hechtend | onvoltooid deelwoord | hechten |
| hechtende | woordvorm | hechten |
| hechtte | verleden tijd | hechten |
| hechtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | hechten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hechten zijn vastgelegd.