grazen
werkwoord /'χrazə(n)/Betekenis
- het eten van gras en andere bodemvegetatie zoals bijvoorbeeld runderen dit doen
Hoe spreek je grazen uit?
/ˈxrazən/
Grazen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- het eten van gras en andere bodemvegetatie, zoals runderen dit doen unergative
Vervoeging van grazen
grazenhele werkwoord — graasdeverleden tijd enkelvoud — graasdenverleden tijd meervoud — gegraasdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | graas | graasde |
| jij | graast | graasde |
| hij, zij, het | graast | graasde |
| wij | grazen | graasden |
| jullie | grazen | graasden |
| zij | grazen | graasden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegraasd | verleden tijd, deelwoord |
| gegraasd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegraasd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| graas | gebiedende wijs |
| graasde | verleden tijd |
| graze | aanvoegende wijs |
| grazend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegraasd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegraasd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegraasd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegraasd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te grazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegraasd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen grazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegraasd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt grazen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen grazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegraasd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult grazen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gras eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Woordfamilie van grazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegraasd | voltooid deelwoord | grazen |
| graas | gebiedende wijs | grazen |
| graasde | verleden tijd | grazen |
| graasden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | grazen |
| graast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | grazen |
| graze | aanvoegende wijs | grazen |
| grazend | onvoltooid deelwoord | grazen |
| grazende | woordvorm | grazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grazen zijn vastgelegd.