blazen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'bla.zə(n)/Betekenis
- een luchtstroom veroorzaken
- met een luchtstroom iets vervaardigen
- een blaasinstrument bespelen
- roken van een sigaret of joint
Hoe spreek je blazen uit?
/ˈblazən/
Blazen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- door een luchtstroom verplaatst worden
- een sissend geluid maken om angst of boosheid uit te drukken
Vervoeging van blazen
blazenhele werkwoord — geblazenvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blies | verleden tijd |
| geblazen | verleden tijd, deelwoord |
Vervoeging van blazen
blazenhele werkwoord — geblazedvoltooid deelwoord
Alle 2 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blazede | verleden tijd |
| geblazed | verleden tijd, deelwoord |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas
Herkomst
In de betekenis van ‘met kracht uitademen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van blazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaast | woordvorm | blazen |
| blaze | woordvorm | blazen |
| blazend | woordvorm | blazen |
| blazende | woordvorm | blazen |
| blies | verleden tijd | blazen |
| bliezen | woordvorm | blazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blazen zijn vastgelegd.