omblazen
werkwoord /ɔmˈblazə(n)/Betekenis
- door blazen omgooien
Hoe spreek je omblazen uit?
/ɔmˈblazən/
Omblazen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| b | bak |
| l | land |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omblazen
omblazenhele werkwoord — blies omverleden tijd enkelvoud — bliezen omverleden tijd meervoud — omgeblazenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaas om | blies om |
| jij | blaast om | blies om |
| hij, zij, het | blaast om | blies om |
| wij | blazen om | bliezen om |
| jullie | blazen om | bliezen om |
| zij | blazen om | bliezen om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaas om | gebiedende wijs |
| blies om | verleden tijd |
| er is omgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgeblazen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgeblazen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgeblazen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgeblazen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te blazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen blazen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult blazen | bijzin, toekomende tijd |
| omblaas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omblaast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omblazend | onvoltooid, deelwoord |
| omblies | bijzin, verleden tijd |
| ombliezen | bijzin, verleden tijd |
| omgeblazen | verleden tijd, deelwoord |
| omgeblazen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeblazen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeblazen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeblazen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeblazen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeblazen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeblazen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeblazen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeblazen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeblazen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben omgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zal omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) omblazen om zou(dt) blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen omblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult omblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om en blazen
Woordfamilie van omblazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaas om | gebiedende wijs | omblazen |
| blaast om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omblazen |
| blaze om | woordvorm | omblazen |
| blazen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omblazen |
| blies om | verleden tijd | omblazen |
| bliezen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omblazen |
| omblaas | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omblazen |
| omblaast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omblazen |
| omblaze | with-subordinate-clause | omblazen |
| omblazend | onvoltooid deelwoord | omblazen |
| omblazende | woordvorm | omblazen |
| omblies | subordinate-clause, verleden tijd | omblazen |
| ombliezen | subordinate-clause, verleden tijd | omblazen |
| omgeblazen | voltooid deelwoord | omblazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omblazen zijn vastgelegd.