graderen
werkwoordBetekenis
- het gehalte verhogen van (metalen)
- op het voor de verdamping in de zoutpannen vereiste gehalte brengen
- frijnen
Vervoeging van graderen
graderenhele werkwoord — gradeerdeverleden tijd enkelvoud — gradeerdenverleden tijd meervoud — gegradeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gradeer | gradeerde |
| jij | gradeert | gradeerde |
| hij, zij, het | gradeert | gradeerde |
| wij | graderen | gradeerden |
| jullie | graderen | gradeerden |
| zij | graderen | gradeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegradeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegradeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegradeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegradeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegradeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegradeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegradeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegradeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegradeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegradeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegradeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegradeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegradeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegradeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegradeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegradeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegradeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gradeer | gebiedende wijs |
| gradeerde | verleden tijd |
| gradere | aanvoegende wijs |
| graderend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegradeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegradeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegradeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegradeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegradeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te graderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegradeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen graderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegradeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegradeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegradeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegradeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegradeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegradeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegradeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegradeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegradeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt graderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen graderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegradeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegradeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegradeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult graderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van graad met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van graderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegradeerd | voltooid deelwoord | graderen |
| gegradeerde | woordvorm | graderen |
| gradeer | gebiedende wijs | graderen |
| gradeerde | verleden tijd | graderen |
| gradeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | graderen |
| gradeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | graderen |
| gradere | aanvoegende wijs | graderen |
| graderend | onvoltooid deelwoord | graderen |
| graderende | woordvorm | graderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van graderen zijn vastgelegd.