goochelen
werkwoordBetekenis
- het uitvoeren van effecten die verbazing wekken van omstaanders
- snel en verwarring wekkend omgaan met informatie met als doel dat de betrokkenen het niet meer kunnen begrijpen of het zelfs verkeerd begrijpen; iemand voor de mal houden
werkwoord
- het uitvoeren van bepaalde illusionistische effecten die voor toeschouwers niet te begrijpen zijn unergative
- doelbewust zodanig met bepaalde informatie omgaan dat de zaken verkeerd worden voorgesteld of voor de betrokkenen niet meer goed te begrijpen zijn figuratively, pejorative
Vervoeging van goochelen
goochelenhele werkwoord — goocheldeverleden tijd enkelvoud — goocheldenverleden tijd meervoud — gegoocheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | goochel | goochelde |
| jij | goochelt | goochelde |
| hij, zij, het | goochelt | goochelde |
| wij | goochelen | goochelden |
| jullie | goochelen | goochelden |
| zij | goochelen | goochelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gegoocheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegoocheld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegoocheld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegoocheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegoocheld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegoocheld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegoocheld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegoocheld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegoocheld | verleden tijd, deelwoord |
| gegoocheld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegoocheld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gegoocheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegoocheld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegoocheld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegoocheld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegoocheld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gegoocheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegoocheld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gegoocheld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| goochel | gebiedende wijs |
| goochelde | verleden tijd |
| goochele | aanvoegende wijs |
| goochelend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegoocheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te goochelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegoocheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen goochelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gegoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gegoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gegoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gegoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gegoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gegoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gegoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen goochelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gegoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult goochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het ?, in de betekenis van ‘door handigheid misleiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1340
Woordfamilie van goochelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegoocheld | voltooid deelwoord | goochelen |
| gegoochelde | woordvorm | goochelen |
| goochel | gebiedende wijs | goochelen |
| goochelde | verleden tijd | goochelen |
| goochelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | goochelen |
| goochele | aanvoegende wijs | goochelen |
| goochelend | onvoltooid deelwoord | goochelen |
| goochelende | woordvorm | goochelen |
| goochelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | goochelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van goochelen zijn vastgelegd.