circus
zelfstandig naamwoord ˈsɪrkʏsBetekenis
- attractie|Attractie in een circustent waar artiesten van allerlei aard hun kunsten en behendigheden vertonen in een ronde arena
- een drukke lawaaierige en kleurrijke vertoning
Hoe spreek je circus uit?
/ˈsɪrkʏs/
Circus bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| r | rood |
| k | kat |
| ʏ | put |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- attractie in een circustent waar artiesten van allerlei aard hun kunsten en behendigheden vertonen in een ronde arena
- een gebouw uit de Romeinse oudheid voornamelijk gebruikt voor wagenrennen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| circusje | verkleinwoord, enkelvoud |
| circusjes | verkleinwoord, meervoud |
| circussen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voorstelling van dressuur en acrobatiek’ voor het eerst aangetroffen in 1897
Woordfamilie van circus
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| circusje | verkleinwoord | circus |
| circusjes | verkleinwoord meervoud | circus |
| circussen | meervoud | circus |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van circus zijn vastgelegd.