golf
zelfstandig naamwoord, werkwoord /χɔl(ə)f/Betekenis
- een meestal door de wind veroorzaakte opwaartse verstoring van de waterspiegel
- een natuurkundige verstoring die zich voortplant via een medium als water of lucht
- een plotse tijdelijke toename van een verschijnsel
- een grote baai
- spelwoord van het ITU/NAVO-spellingalfabet voor de letter g
- frequentieband voor radioverkeer
- een balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
- golf (baai)
- golf (spel)
- golf (spel).
- een balsport
- Afgeleid van het Duitse Golf
- Leenwoord uit het Engels
- sport
- záliv
- (balspel)
Hoe spreek je golf uit?
/xɔləf/
Golf bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɔ | bot |
| l | land |
| ə | de |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- meestal door de wind veroorzaakte verheffing van de waterspiegel
- natuurkundige verstoring die zich voortplant via een medium als water of lucht
- plotselinge tijdelijke toename van een verschijnsel figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| golfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| golfjes | verkleinwoord, meervoud |
| golven | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van golven
- gebiedende wijs van golven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van golven
Vervoeging van golf
golfhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] golf | canonical |
zelfstandig naamwoord — neuter
- balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen. no-plural
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van golfen
- gebiedende wijs van golfen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van golfen
Vervoeging van golf
golfhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] golf | canonical |
Herkomst
[A 1]: van Middelnederlands gelve, in de betekenis van ‘opgestuwd water’ aangetroffen vanaf 1399; klank veranderd onder invloed van Frans golve
Woordfamilie van golf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| golfje | verkleinwoord | golf |
| golfjes | verkleinwoord meervoud | golf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van golf zijn vastgelegd.