gireren
werkwoordBetekenis
- geld overmaken door het uitschrijven van een giro
Vervoeging van gireren
girerenhele werkwoord — gireerdeverleden tijd enkelvoud — gireerdenverleden tijd meervoud — gegireerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gireer | gireerde |
| jij | gireert | gireerde |
| hij, zij, het | gireert | gireerde |
| wij | gireren | gireerden |
| jullie | gireren | gireerden |
| zij | gireren | gireerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gegireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gegireerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gegireerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gegireerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gegireerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gegireerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gegireerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gegireerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gegireerd | verleden tijd, deelwoord |
| gegireerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegireerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gireer | gebiedende wijs |
| gireerde | verleden tijd |
| girere | aanvoegende wijs |
| girerend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegireerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegireerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegireerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegireerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gireren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegireerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegireerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gireren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gireren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegireerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gireren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘overmaken (van geld)’ voor het eerst aangetroffen in 1676
Woordfamilie van gireren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegireerd | voltooid deelwoord | gireren |
| gegireerde | woordvorm | gireren |
| gireer | gebiedende wijs | gireren |
| gireerde | verleden tijd | gireren |
| gireerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gireren |
| gireert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gireren |
| girere | aanvoegende wijs | gireren |
| girerend | onvoltooid deelwoord | gireren |
| girerende | woordvorm | gireren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gireren zijn vastgelegd.