getuigen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- ~ over: een veelal beëdigde verklaring afleggen ten aanzien van de ware toedracht van een zaak
Vervoeging van getuigen
getuigenhele werkwoord — getuigdeverleden tijd enkelvoud — getuigdenverleden tijd meervoud — getuigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | getuig | getuigde |
| jij | getuigt | getuigde |
| hij, zij, het | getuigt | getuigde |
| wij | getuigen | getuigden |
| jullie | getuigen | getuigden |
| zij | getuigen | getuigden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getuigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getuigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getuigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getuigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getuigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getuigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getuigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getuig | gebiedende wijs |
| getuigd | verleden tijd, deelwoord |
| getuigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getuigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getuigde | verleden tijd |
| getuige | aanvoegende wijs |
| getuigend | onvoltooid, deelwoord |
| had getuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getuigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getuigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getuigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getuigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te getuigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben getuigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen getuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getuigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getuigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getuigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getuigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord getuige
Herkomst
In de betekenis van ‘als getuige verklaren’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van getuigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getuigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | getuigen |
| getuigend | onvoltooid deelwoord | getuigen |
| getuigende | woordvorm | getuigen |
| getuigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | getuigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van getuigen zijn vastgelegd.