floreren
werkwoordBetekenis
- tot volle ontplooiing gekomen zijn, een bloeiperiode doormaken
Vervoeging van floreren
florerenhele werkwoord — floreerdeverleden tijd enkelvoud — floreerdenverleden tijd meervoud — gefloreerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | floreer | floreerde |
| jij | floreert | floreerde |
| hij, zij, het | floreert | floreerde |
| wij | floreren | floreerden |
| jullie | floreren | floreerden |
| zij | floreren | floreerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| floreer | gebiedende wijs |
| floreerde | verleden tijd |
| florere | aanvoegende wijs |
| florerend | onvoltooid, deelwoord |
| gefloreerd | verleden tijd, deelwoord |
| gefloreerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gefloreerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gefloreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gefloreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gefloreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gefloreerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gefloreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gefloreerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gefloreerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefloreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gefloreerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te floreren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gefloreerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen floreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt floreren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gefloreerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen floreren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult floreren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gefloreerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bloeien’ voor het eerst aangetroffen in 1451
Woordfamilie van floreren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| floreer | gebiedende wijs | floreren |
| floreerde | verleden tijd | floreren |
| floreerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | floreren |
| floreert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | floreren |
| florere | aanvoegende wijs | floreren |
| gefloreerd | voltooid deelwoord | floreren |
| gefloreerde | woordvorm | floreren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van floreren zijn vastgelegd.