vooruitkomen
werkwoord vorˈœytkomə(n)Betekenis
- vorderingen maken op weg naar iets
- een betere positie krijgen
Hoe spreek je vooruitkomen uit?
/vorˈœytkomən/
Vooruitkomen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| o | boot |
| r | rood |
| œy | huis |
| t | tak |
| k | kat |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vooruitkomen
vooruitkomenhele werkwoord — kwam vooruitverleden tijd enkelvoud — kwamen vooruitverleden tijd meervoud — vooruitgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom vooruit | kwam vooruit |
| jij | komt vooruit | kwaamt vooruit |
| hij, zij, het | komt vooruit | kwam vooruit |
| wij | komen vooruit | kwamen vooruit |
| jullie | komen vooruit | kwamen vooruit |
| zij | komen vooruit | kwamen vooruit |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom vooruit | gebiedende wijs |
| kwam vooruit | verleden tijd |
| te zijn vooruitgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vooruitkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vooruit te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruit zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| vooruit zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruit zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruit zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| vooruitgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| vooruitgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vooruitgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vooruitkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitkomend | onvoltooid, deelwoord |
| vooruitkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vooruitkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| vooruitkwam | bijzin, verleden tijd |
| vooruitkwamen | bijzin, verleden tijd |
| waart vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vooruitgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vooruitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vooruitgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vooruitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vooruitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vooruitkomen vooruit zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vooruitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vooruitgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vooruitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vooruitkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vooruitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vooruitgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vooruitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vooruitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vooruitkomen vooruit zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vooruit bw en komen ww
Woordfamilie van vooruitkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom vooruit | gebiedende wijs | vooruitkomen |
| kome vooruit | woordvorm | vooruitkomen |
| komen vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitkomen |
| komt vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vooruitkomen |
| kwam vooruit | verleden tijd | vooruitkomen |
| kwamen vooruit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vooruitkomen |
| vooruitgekomen | voltooid deelwoord | vooruitkomen |
| vooruitkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitkomen |
| vooruitkome | with-subordinate-clause | vooruitkomen |
| vooruitkomend | onvoltooid deelwoord | vooruitkomen |
| vooruitkomende | woordvorm | vooruitkomen |
| vooruitkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vooruitkomen |
| vooruitkwam | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitkomen |
| vooruitkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | vooruitkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vooruitkomen zijn vastgelegd.