welvaren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- ~ bij voorspoed beleven
- welstand, goede gezondheid
Vervoeging van welvaren
welvarenhele werkwoord — voer welverleden tijd enkelvoud — voeren welverleden tijd meervoud — welgevarenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaar wel | voer wel |
| jij | vaart wel | voer wel |
| hij, zij, het | vaart wel | voer wel |
| wij | varen wel | voeren wel |
| jullie | varen wel | voeren wel |
| zij | varen wel | voeren wel |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn welgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen welvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaar wel | gebiedende wijs |
| voer wel | verleden tijd |
| waart welgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren welgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren welgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren welgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was welgevaren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was welgevaren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was welgevaren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wel te varen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| wel te zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wel zal varen | bijzin, toekomende tijd |
| wel zou varen | bijzin, voorwaardelijk |
| wel zouden varen | bijzin, voorwaardelijk |
| wel zoudt varen | bijzin, voorwaardelijk |
| wel zullen varen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wel zullen varen | bijzin, toekomende tijd |
| wel zult varen | bijzin, toekomende tijd |
| welgevaren | verleden tijd, deelwoord |
| welgevaren te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| welgevaren zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| welvaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| welvaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| welvarend | onvoltooid, deelwoord |
| welvoer | bijzin, verleden tijd |
| welvoeren | bijzin, verleden tijd |
| welvoert | bijzin, verleden tijd |
| zal welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal welvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn welgevaren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt welgevaren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou welvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) welvaren wel zou(dt) varen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden welvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt welgevaren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt welvaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen welvaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen welvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult welgevaren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult welvaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult welvaren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal welvaren wel zult/zal varen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van wel en varen
Woordfamilie van welvaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaar wel | gebiedende wijs | welvaren |
| vaart wel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | welvaren |
| vare wel | woordvorm | welvaren |
| varen wel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | welvaren |
| voer wel | verleden tijd | welvaren |
| voeren wel | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | welvaren |
| welgevaren | voltooid deelwoord | welvaren |
| welvaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | welvaren |
| welvare | with-subordinate-clause | welvaren |
| welvoer | subordinate-clause, verleden tijd | welvaren |
| welvoeren | subordinate-clause, verleden tijd | welvaren |
| welvoert | subordinate-clause, verleden tijd | welvaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van welvaren zijn vastgelegd.