Naar de inhoud

welvaren

~ bij voorspoed beleven

welvaren is meer dan één woord

welvaren

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. ~ bij voorspoed beleven
  2. welstand, goede gezondheid

Vervoeging van welvaren

welvarenhele werkwoord — voer welverleden tijd enkelvoud — voeren welverleden tijd meervoud — welgevarenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vaar wel voer wel
jij vaart wel voer wel
hij, zij, het vaart wel voer wel
wij varen wel voeren wel
jullie varen wel voeren wel
zij varen wel voeren wel
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn welgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen welvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vaar wel gebiedende wijs
voer wel verleden tijd
waart welgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren welgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren welgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren welgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
was welgevaren voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was welgevaren voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was welgevaren voltooid, verleden tijd, derde persoon
wel te varen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
wel te zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wel zal varen bijzin, toekomende tijd
wel zou varen bijzin, voorwaardelijk
wel zouden varen bijzin, voorwaardelijk
wel zoudt varen bijzin, voorwaardelijk
wel zullen varen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
wel zullen varen bijzin, toekomende tijd
wel zult varen bijzin, toekomende tijd
welgevaren verleden tijd, deelwoord
welgevaren te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
welgevaren zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
welvaar bijzin, tegenwoordige tijd
welvaart bijzin, tegenwoordige tijd
welvarend onvoltooid, deelwoord
welvoer bijzin, verleden tijd
welvoeren bijzin, verleden tijd
welvoert bijzin, verleden tijd
zal welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal welvaren bijzin, toekomende tijd
zijn welgevaren actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt welgevaren voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou welvaren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) welvaren wel zou(dt) varen bijzin, voorwaardelijk
zouden welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden welvaren bijzin, voorwaardelijk
zoudt welgevaren zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt welvaren bijzin, voorwaardelijk
zullen welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen welvaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen welvaren bijzin, toekomende tijd
zult welgevaren zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult welvaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult welvaren bijzin, toekomende tijd
zult/zal welvaren wel zult/zal varen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van wel en varen

Woordfamilie van welvaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vaar wel gebiedende wijs welvaren
vaart wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon welvaren
vare wel woordvorm welvaren
varen wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon welvaren
voer wel verleden tijd welvaren
voeren wel aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon welvaren
welgevaren voltooid deelwoord welvaren
welvaar subordinate-clause, tegenwoordige tijd welvaren
welvare with-subordinate-clause welvaren
welvoer subordinate-clause, verleden tijd welvaren
welvoeren subordinate-clause, verleden tijd welvaren
welvoert subordinate-clause, verleden tijd welvaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van welvaren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over welvaren

Wat betekent welvaren?
Welvaren is een werkwoord. Het woord betekent: ~ bij voorspoed beleven. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je welvaren?
Je vervoegt welvaren als volgt: het voltooid deelwoord is welgevaren. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord welvaren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. L 3
  4. V 4
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

welvaren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. L 3
  4. V 4
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

welvaren in het kort

welvaren is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van welvaren zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort welvaren bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

welvaren: ~ bij voorspoed beleven
Deel welvaren — standaardnederlands.nl