enten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een stukje weefsel van de ene boom inplanteren in een andere
- inenten
Vervoeging van enten
entenhele werkwoord — entteverleden tijd enkelvoud — enttenverleden tijd meervoud — geëntvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ent | entte |
| jij | ent | entte |
| hij, zij, het | ent | entte |
| wij | enten | entten |
| jullie | enten | entten |
| zij | enten | entten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ent | gebiedende wijs |
| ente | aanvoegende wijs |
| entend | onvoltooid, deelwoord |
| entte | verleden tijd |
| er is geënt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geënt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geënt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geënt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geënt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geënt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geënt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geënt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geënt | verleden tijd, deelwoord |
| geënt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geënt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geënt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geënt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geënt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geënt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geënt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geënt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geënt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geënt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geënt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te enten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geënt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen enten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt enten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geënt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen enten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult enten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geënt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ent
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘een loot op een andere boom bevestigen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van enten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ente | aanvoegende wijs | enten |
| entend | onvoltooid deelwoord | enten |
| entende | woordvorm | enten |
| entte | verleden tijd | enten |
| entten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | enten |
| geënt | voltooid deelwoord | enten |
| geënte | woordvorm | enten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van enten zijn vastgelegd.