entameren
werkwoordBetekenis
- beginnen met iets
Vervoeging van entameren
entamerenhele werkwoord — entameerdeverleden tijd enkelvoud — entameerdenverleden tijd meervoud — geëntameerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | entameer | entameerde |
| jij | entameert | entameerde |
| hij, zij, het | entameert | entameerde |
| wij | entameren | entameerden |
| jullie | entameren | entameerden |
| zij | entameren | entameerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| entameer | gebiedende wijs |
| entameerde | verleden tijd |
| entamere | aanvoegende wijs |
| entamerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is geëntameerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geëntameerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geëntameerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geëntameerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geëntameerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geëntameerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geëntameerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geëntameerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëntameerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëntameerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëntameerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geëntameerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëntameerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëntameerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëntameerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëntameerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geëntameerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëntameerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geëntameerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëntameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëntameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëntameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëntameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëntameerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te entameren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëntameerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen entameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëntameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geëntameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geëntameerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geëntameerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geëntameerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geëntameerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geëntameerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt entameren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëntameerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geëntameerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen entameren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult entameren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëntameerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëntameerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geëntameerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘in behandeling nemen’ voor het eerst aangetroffen in 1932
Woordfamilie van entameren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| entameer | gebiedende wijs | entameren |
| entameerde | verleden tijd | entameren |
| entameerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | entameren |
| entameert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | entameren |
| entamere | aanvoegende wijs | entameren |
| entamerend | onvoltooid deelwoord | entameren |
| entamerende | woordvorm | entameren |
| geëntameerd | voltooid deelwoord | entameren |
| geëntameerde | woordvorm | entameren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van entameren zijn vastgelegd.