Naar de inhoud

emanciperen

bevrijden van sociale, politieke, wettelijke enz. belemmeringen

emanciperen

werkwoord

Betekenis

  1. bevrijden van sociale, politieke, wettelijke enz. belemmeringen
  2. gelijkstellen voor de wet

Vervoeging van emanciperen

emanciperenhele werkwoord — emancipeerdeverleden tijd enkelvoud — emancipeerdenverleden tijd meervoud — geëmancipeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik emancipeer emancipeerde
jij emancipeert emancipeerde
hij, zij, het emancipeert emancipeerde
wij emanciperen emancipeerden
jullie emanciperen emancipeerden
zij emanciperen emancipeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
emancipeer gebiedende wijs
emancipeerde verleden tijd
emancipere aanvoegende wijs
emanciperend onvoltooid, deelwoord
er is geëmancipeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geëmancipeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geëmancipeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geëmancipeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geëmancipeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geëmancipeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geëmancipeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geëmancipeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geëmancipeerd verleden tijd, deelwoord
geëmancipeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëmancipeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geëmancipeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëmancipeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëmancipeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëmancipeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëmancipeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geëmancipeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëmancipeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geëmancipeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëmancipeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te emanciperen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëmancipeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen emanciperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geëmancipeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geëmancipeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geëmancipeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëmancipeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geëmancipeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen emanciperen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult emanciperen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëmancipeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëmancipeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geëmancipeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mondig verklaren’ voor het eerst aangetroffen in 1570

Woordfamilie van emanciperen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
emancipeer gebiedende wijs emanciperen
emancipeerde verleden tijd emanciperen
emancipeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon emanciperen
emancipeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon emanciperen
emancipere aanvoegende wijs emanciperen
emanciperend onvoltooid deelwoord emanciperen
emanciperende woordvorm emanciperen
geëmancipeerd voltooid deelwoord emanciperen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emanciperen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over emanciperen

Wat is de betekenis van emanciperen?
Emanciperen is een werkwoord. De betekenis is: bevrijden van sociale, politieke, wettelijke enz. belemmeringen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik emanciperen?
Zo vervoeg je emanciperen zo: de tegenwoordige tijd is emancipeer, de verleden tijd is emancipeerde en het voltooid deelwoord is geëmancipeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord emanciperen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. M 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. C 5
  6. I 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

emanciperen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. M 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. C 5
  6. I 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

emanciperen in het kort

emanciperen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van emanciperen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort emanciperen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

emanciperen: bevrijden van sociale, politieke, wettelijke enz. belemmeringen
Deel emanciperen — standaardnederlands.nl