emaneren
werkwoordBetekenis
- voortvloeien, voortkomen uit
- uitstralen, uitstoten
Vervoeging van emaneren
emanerenhele werkwoord — emaneerdeverleden tijd enkelvoud — emaneerdenverleden tijd meervoud — geëmaneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | emaneer | emaneerde |
| jij | emaneert | emaneerde |
| hij, zij, het | emaneert | emaneerde |
| wij | emaneren | emaneerden |
| jullie | emaneren | emaneerden |
| zij | emaneren | emaneerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| emaneer | gebiedende wijs |
| emaneerde | verleden tijd |
| emanere | aanvoegende wijs |
| emanerend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geëmaneerd | verleden tijd, deelwoord |
| geëmaneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geëmaneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geëmaneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geëmaneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te emaneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geëmaneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen emaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geëmaneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen emaneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult emaneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geëmaneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse émaner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van emaneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| emaneer | gebiedende wijs | emaneren |
| emaneerde | verleden tijd | emaneren |
| emaneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | emaneren |
| emaneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | emaneren |
| emanere | aanvoegende wijs | emaneren |
| emanerend | onvoltooid deelwoord | emaneren |
| emanerende | woordvorm | emaneren |
| geëmaneerd | voltooid deelwoord | emaneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emaneren zijn vastgelegd.