Naar de inhoud

emaneren

voortvloeien, voortkomen uit

emaneren

werkwoord

Betekenis

  1. voortvloeien, voortkomen uit
  2. uitstralen, uitstoten

Vervoeging van emaneren

emanerenhele werkwoord — emaneerdeverleden tijd enkelvoud — emaneerdenverleden tijd meervoud — geëmaneerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik emaneer emaneerde
jij emaneert emaneerde
hij, zij, het emaneert emaneerde
wij emaneren emaneerden
jullie emaneren emaneerden
zij emaneren emaneerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
emaneer gebiedende wijs
emaneerde verleden tijd
emanere aanvoegende wijs
emanerend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
geëmaneerd verleden tijd, deelwoord
geëmaneerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geëmaneerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geëmaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geëmaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geëmaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geëmaneerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geëmaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geëmaneerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geëmaneerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëmaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geëmaneerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te emaneren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben geëmaneerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen emaneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt emaneren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt geëmaneerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen emaneren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult emaneren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult geëmaneerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse émaner (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van emaneren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
emaneer gebiedende wijs emaneren
emaneerde verleden tijd emaneren
emaneerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon emaneren
emaneert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon emaneren
emanere aanvoegende wijs emaneren
emanerend onvoltooid deelwoord emaneren
emanerende woordvorm emaneren
geëmaneerd voltooid deelwoord emaneren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van emaneren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over emaneren

Wat is de betekenis van emaneren?
Emaneren is een werkwoord. De betekenis is: voortvloeien, voortkomen uit. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik emaneren?
Zo vervoeg je emaneren zo: de tegenwoordige tijd is emaneer, de verleden tijd is emaneerde en het voltooid deelwoord is geëmaneerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord emaneren is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. E 1
  2. M 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

emaneren levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 51 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. E 1
  2. M 3
  3. A 1
  4. N 1
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 11 zonder bonus
  10. 51 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

emaneren in het kort

emaneren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van emaneren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort emaneren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

emaneren: voortvloeien, voortkomen uit
Deel emaneren — standaardnederlands.nl